Oei, oei,oei, dat was me toch een loei … Glazen lamp
Het was november 1973. We waren voor de zusters in de Thomas de Rouckstraat aan het werken. Een zestal zusters van het Ketrientje gingen daarheen verhuizen maar dat pand moest wel opgeknapt worden. Of wij, de technische dienst, schilders, de firma Schetters en dergelijke, dit varkentje even wilde wassen.
In de avonduren bleek het geen haalbare kaart te zijn dus de laatste dagen werd er ook overdag gewerkt. Het was een heel gestress om het stulpje van de zusters op tijd klaar te krijgen zodat zij zorgeloos de feestdagen door konden brengen.
De firma Schetters was nog aan het afmonteren terwijl V&D de gordijnen al ophing en de vloerbedekking aan het leggen was. Jan Huigen bracht de nieuwe lampen binnen. Hij legde deze zolang voorzichtig op de vloerbedekking die uitgerold was, maar die nog niet aan de kanten recht was afgesneden.
Toen het half één was gingen we eerst de inwendige mens versterken. De stoffeerders van V&D gingen in hun eigen kantine op de zaak eten. Wij bleven in de Thomas de Rouckstraat.
Om goed één uur gingen we er weer tegenaan. Even later gevolgd door de mannen van V&D. De laatste baantjes behang werden geplakt en de eerste lampen werden gehangen.
Toen Ferrie Hagens, een van de stoffeerders, een groot wit vel papier zag liggen op de nieuwe vloerbedekking liep hij met een korte draf er op af en gaf uit alle macht een ferme schop.
Met een enorme knal vloog de glazen lamp, die er onder lag, de lucht in. Er was werkelijk niets meer heel van de lamp. De glassplinters lagen door de hele kamer. Dag lamp.
Ferrie had een heel pijnlijke voet. Ingetapet en weer verder. Daarna heeft hij ruim een half uur, met een knalrood hoofd, staan stofzuigen. Jan om een nieuwe lamp. Gelukkig was hij nog in voorraad. Hij is gelijk opgehangen.
Johan Cruyff zong later een liedje over die enorme loei…
Oei, oei.
Arnoud Peeters, Ossendrecht
